Toiles

toiles

Maken jullie wel eens een testversie (toile of muslin) van een patroon? Sinds kort doe ik dat meestal wel, zie foto’s voor het bewijs! Herkennen jullie welke patronen het zijn? Behalve 1 heb ik over alle resulterende kledingstukken geblogd. Die ene volgt later deze week.

Maar waarom zou je eigenlijk een toile/muslin maken? Het idee van zo’n testversie is dat je eerst de pasvorm van je kledingstuk controleert in een goedkope stof, voordat je je aan duurdere materialen waagt. Maar wat als je ‘dure’ stof nog steeds maar 10 euro per meter kost, is het dan nog de moeite waard om een testversie te maken? Ja, en wel om de volgende reden: ook al is je stof maar 10 euro per meter, jij steekt er zelf wel veel tijd in om een mooi kledingstuk te maken. Met een testversie kun je eerst de pasvorm controleren, zonder je te verliezen in details omdat het toch maar een test is. Daarmee voorkom je dat je ontzettend veel tijd steekt in een prachtig afgewerkt kledingstuk dat niet goed zit.

Wanneer is het belangrijk om een toile/muslin te maken? Het controleren van de pasvorm is niet bij elk project even noodzakelijk. Maak je bijvoorbeeld een los vallend rokje, dan steekt de pasvorm niet zo nauw. Ook bij stretch-stoffen maakt de pasvorm vaak iets minder uit, omdat de stof toch wel oprekt. Tenslotte heb je soms kledingstukken waarbij je zeker weet dat je op het allerlaatst de pasvorm nog kunt aanpassen, bijvoorbeeld door de zijnaden nog wat in te nemen. Maar wanneer je bijvoorbeeld een nauwsluitend (en niet stretch) jurkje, blousje of jasje maakt, misschien zelfs een ontwerp met coupenaden (darts) die op de juiste plaats moeten uitkomen, dan is het wel handig om eerst een testversie te maken (zie ook de uitgebreide uitleg van Tilly and the Buttons). En soms hoef je maar een deel van het patroon te testen: zo maakte ik voor het cambie-jurkje alleen een testversie van het lijfje, niet van de rok (de foto middenonder is vakkundig gecropt).

Waarvan maak je dan zo’n toile/muslin? Dat maakt eigenlijk weinig uit, als de stof van de testversie maar enigszins lijkt op de stof die je uiteindelijk gaat gebruiken. Zo maakte ik de meeste testversies op bovenstaande foto van goedkoop katoen dat toevallig in de aanbieding was, en voor het t-shirt gebruikte ik een tricot die ik lang geleden gekocht had en eigenlijk niet mooi meer vond. Maar je kunt veel creatiever zijn: een oud laken van de kringloopwinkel kan ook best dienen als stof voor een testversie (wel even wassen van te voren…).

Wat kun je tegenkomen bij het maken van een toile/muslin? Dit is een vraag die ik mezelf stelde toen ik net de testversie van mijn velours-jasje (helemaal rechts op bovenstaande foto) af had: is het nu goed, of moet ik nog iets veranderen? Uiteindelijk bleken daar de schouders iets te breed. Dat viel me pas op toen ik al met de echte versie van het jasje bezig was. Toch kwam toen de testversie nog steeds goed van pas, want de benodigde aanpassing kon ik daar eerst op uitproberen.

Ook de andere testversies op bovenstaande foto bewezen duidelijk hun nut. Bij het francoise-jurkje (helemaal links) waren de schouders veel te smal en zaten de coupenaden niet op de juiste plek. Daar heb ik uiteindelijk zelfs een tweede testversie voor gemaakt (op de foto staat versie twee). Het t-shirt patroon had een wel erg diepe v-hals, en het cambie-jurkje viel ook te laag uit.  En bij het bellatrix-jasje (midden-boven-links), nog te bloggen later deze week, kwam ik er in de testversie achter dat ik het hele patroon een maat te klein had geknipt. Oeps.

Naalden

naalden

Vroeger had ik 1 naald in mijn naaimachine, en als die kapot ging deed ik er weer een nieuwe naald in. Dat is dus niet de bedoeling. Allereerst: vervang de naald op tijd, voordat ‘ie stuk is! Na ongeveer 8 uur naaitijd, volgens coletterie. Wanneer de naald namelijk ook maar een klein beetje gebogen is, of stomp, dan kan dit leiden tot Vreselijk Dingen. Bijvoorbeeld dat de naaimachine kapot gaat, steken gaat overslaan, het garen dat lusjes maakt of breekt of dat er beschadigingen in de stof komen. Kortom: na een paar projecten is het tijd voor een nieuwe naald.

Daarnaast maakt het uit welk type naald je gebruikt. Voor tricot  zijn er ballpointnaalden (of specifieker: jerseynaalden). Dat zijn naalden met een ronde, stompe punt, waardoor de naald niet het breisel van het tricot kapot prikt, maar er tussendoor gaat. Voor geweven stoffen zoals katoen, gabardine of denim is een standaard naald heel geschikt, die heeft een redelijk scherpe punt die juist wel goed door de stof prikt. Dan zijn er nog allerlei andere soorten naalden, zoals microtex-naalden (dun en met een extra scherpe punt) of jeansnaalden (dik en met een stevige schacht en scherpe punt) en natuurlijk tweelingnaalden  – maar dat zijn gewoon twee naalden in één.

De naalddikte wordt vervolgens aangegeven met twee cijfers (bijvoorbeeld 80/11). Die cijfers beschrijven allebei de dikte van de schacht, in verschillende standaarden (Europees en Amerikaans). Voor beide cijfers geld: hoe dunner de stof, hoe dunner de naald moet zijn en hoe lager het getal dat de dikte aangeeft. 80 is een tamelijk gemiddelde dikte. Voor stevige jeans of denim is 90 of 100 beter, en voor een dunne katoen is 70 meer geschikt.

Tenslotte: voor de echte naaigeeks is er nog veel meer te leren over naalden. Want eigenlijk maakt bijvoorbeeld het type garen dat je gebruikt ook nog uit voor welke naald geschikt is: dikker garen heeft een groter oogje nodig. En er zijn natuurlijk nog allerlei specialistische naalden voor borduren, topstitching en quilten. Wie meer wil weten: bekijk eens dit gave overzicht van Schmetz.